School der dieren

De commissie ging meteen aan het werk. Het konijn stond er op dat ‘hardlopen’ in het programma werd opgenomen. De torenvalk vond ‘kunstig vliegen’ het belangrijkste. De karper maakte duidelijk dat het ‘geruisloos zwemmen’ erbij moest en de eekhoorn maakte zich sterk voor het onderdeel ‘klimmen tegen een kaarsrechte stam van torenhoge bomen’. En zo geschiedde. De school werd opengesteld. De schoolleiding zei dat de dieren zich in alle vakken moesten bekwamen om echt Dier te kunnen zijn. Toen ging er iets vreselijks fout. Het konijntje was wereldkampioen hardlopen. Geen dier kon zo snel wegsprinten als hij. De schoolleiding vond dat het voor het konijntje belangrijk was, voor lichaam en voor geest, dat hij zich ook bekwaamde in het vliegen. Men zette het konijntje op een hoge tak en zei: “Leer vliegen konijntje.” Het arme dier sprong, tuimelde naar beneden, brak een achterpoot en viel een gat in zijn hoofd dat nooit meer overging. Zo kwam het dat hij voor het hardlopen toch niet meer dan een 6 kreeg in plaats van een 10. Maar voor vliegen kreeg hij een 3 in plaats van een 1, want hij had het toch maar geprobeerd. De schoolleiding was zeer tevreden. Met open mond zagen de dieren hoe de torenvalk zijn acrobatische kunsten in de lucht vertoonde. Toch merkte de schoolleiding op, dat het voor een valk van grote waarde was als hij, net als het konijn, holen kon graven in de grond. De valk deed zijn uiterste best, brak echter jammer genoeg zijn snavel en kneusde zijn vleugels. Waardoor hij nauwelijks nog vliegen kon en in plaats van een 10 met een 5 eindigde. Maar op holen graven haalde hij een 4 in plaats van een 1. En evenzo verging het alle dieren. En wie haalde tenslotte de beste cijfers? Dat was de hersenloze kwal, die zwibbelend en zwabbelend alle proeven redelijk wist te doorstaan. Zijn botten breken kon hij niet, hij had er immers geen. En zo werd hij tot beste van de klas uitgeroepen.
George H. Reavis (1938).
Terug